Nieuws: Lychnari schrijft over het Mare Nostrum Inclusive project

07 Lychnari 2019-2 mare nostrumMare nostrum en omstreken

Hero Hokwerda | Foto’s: Maarten Reinboud

Als je eenmaal voorbij Brussel bent, begin je de Middellandse Zee al te ruiken, zei men vroeger weleens, maar zo ver hoef je tegenwoordig niet meer te gaan. Zoals de hele wereld, is ook de Mediterranee allang naar Nederland gekomen: onder alle intussen rond de 250 nationaliteiten in ons land zijn – naast natuurlijk de Grieken – alle landen rond de Middellandse Zee ruimschoots vertegenwoordigd. Een ‘mediterranisering’ van Nederland die ook tot een verrijking van de Nederlandse cultuur leidt.

Als we bij Portugal beginnen (dat eigenlijk aan de Atlantische Oceaan ligt, maar vooruit) en dan langs de noordkust naar Turkije, daarvandaan langs de oostkust naar Egypte en ten slotte langs de zuidkust terug helemaal naar Marokko kijken: hebben al die landen, op drie continenten gelegen, dan wel zoveel gemeen dat we van één gebied kunnen spreken?

Om te beginnen vormde water tot voor kort altijd eerder een verbinding dan een scheiding; de bergen op het land waren veel moeilijker overbrugbaar. Zo wemelde het in een groot deel van de Middellandse Zee al in de oudheid van de Griekse kolonies, die de hele zee als een netwerk omspanden, maar echt één gebied werd het pas in de tijd van de Romeinen; die konden dan ook met recht spreken van mare nostrum, ‘onze zee’. Na hen zijn de Byzantijnen, Arabieren en Ottomanen grote delen van de Mediterranee als één geheel blijven beheersen, maar de laatste eeuwen is door de nationale staten veel meer de nadruk komen te liggen op de scheidslijnen. Overigens lijken de migranten- en vluchtelingenstromen van de laatste jaren zich daar dan weer weinig van aan te trekken.

Stichting Marmoucha

Een instelling die zich inspant voor de mediterrane cultuur in Nederland is de Amsterdamse Stichting Marmoucha. Van oorsprong vooral gericht op de Midden-Oosterse en Noord-Afrikaanse kant van de Middellandse Zee, wil ze de laatste jaren steeds meer het héle culturele landschap rond de kleine plas bestrijken, juist om de Arabische/Ottomaanse en de westerse culturele tradities ook in ons kikkerlandje bij elkaar te brengen en een kruisbestuiving te bevorderen. Voor al die medelanders natuurlijk die uit die contreien afkomstig zijn, maar zeker ook voor alle ‘eigenlanders’ die voor zulk een verrijking openstaan. Zo werkte Marmoucha in het voorjaar van 2017 al mee aan de organisatie van de toneelvoorstelling ‘Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte’ door de Cypriotische toneelgroep Thepak, op basis van gedichten van de Alexandrijns-Griekse dichter Kavafis, een bij uitstek ‘(Oost-)Mediterrane Griek’; het ging hier om een initiatief van de opleiding Nieuwgrieks van de Universiteit van Amsterdam.

Intussen is de afgelopen maanden het grote project ‘Mare Nostrum’ van start gegaan, dat ernaar streeft ook de landen aan de noordkant van de Middellandse Zee er meer bij te betrekken. Geen wonder dat daarbij in de eerste plaats gekeken wordt naar de muzikale verbindingslijnen tussen de verschillende landen: muziek trekt zich nu eenmaal het minst van nationale grenzen aan. Natuurlijk, de flamenco kennen we als Spaans, de rebétika als Grieks, maar afgezien van de teksten zijn de muzikale overgangen en grensgebieden doorgaans veel poreuzer en vloeiender dan de landsgrenzen suggereren.

Mare Nostrum Inclusive

Zo was er op zaterdag 6 april in het Amsterdamse Podium Mozaïek-theater een concert van Mare Nostrum Inclusive – Mediterranean sounds, een gelegenheidscombinatie van drie, ook alweer, gelegenheidsformaties: The Aegean Project, Mediterranean, en Ahaddaf and friends. Daar gaven Griekse (en in het algemeen Oost-Mediterrane), Spaanse en Marokkaanse musici en zangers een gezamenlijk concert, tot groot enthousiasme van het publiek. Een week eerder al had The Aegean Project in Paradiso een eigen concert gegeven en een al even enthousiast onthaal gekregen; tegenwoordig mag de Egeïsche Zee dan een Griekse binnenzee lijken, eeuwenlang was het een Middellandse Zee in het klein, waar Oost en West vloeiend in elkaar overgingen. Musici en zangers afkomstig uit Griekenland, Turkije, Palestina, Marokko, Spanje, en daartussen een Nederlandse trompettist, die met zijn klanken wonderwel bij het geheel paste.

Whose is this Song?

Maar dat was nog niet alles. In Podium Mozaïek werd eerst ook nog een documentaire vertoond, getiteld Whose is This Song, van de Bulgaarse Adela Peeva. (Hier raken we intussen op de Balkan verzeild, maar met een beetje goede wil kunnen we het hele gebied van Balkan en Zwarte Zee ook nog bij de Mediterranee rekenen, in elk geval muzikaal gesproken.) In het begin van de film hoort de regisseuse met een aantal vrienden in een Istanbulse taverna een bekend lied spelen, dat door alle disgenoten enthousiast als een lied van het eigen land wordt herkend en geclaimd: Turks, Grieks, Albanees, Bosnisch, Noord-Macedoons, Servisch en ten slotte Bulgaars. Naar aanleiding hiervan trekt zij vervolgens door al deze landen om er het lied op te sporen, waarbij het uiteraard overal met een vanzelfsprekende stelligheid als van oorsprong Turks, Grieks etc. wordt geclaimd. Als de regisseuse daarbij weleens ‘stangt’ (de film is zeker niet zonder een gevoel voor humor gemaakt!): ‘Maar vorige week in … zeiden ze dat het … was’, lopen de gemoederen soms hoog op. En dat terwijl de verschillende ‘nationale’ versies soms van wel heel uiteenlopende aard zijn: hier een liefdesliedje, daar een marslied voor militairen, of zelfs een religieuze aanmaning tot bekering… en met ongetwijfeld overal een eigen tekst, maar dat was in de documentaire niet te volgen. De Griekse versie in elk geval luidt: ‘Από ξένο τόπο’ – ‘Uit den vreemde’. De boeiende film (van ca. een uur) is nog terug te zien via de link: http://bit.ly/doculied.

Een ‘uitleiding’ bij de film werd verzorgd door Maria Boletsi, hoogleraar Nieuwgriekse Taal en Cultuur in Amsterdam, onder de titel ‘Shared heritage and nationalistic feuds in the Balkan and the Mediterranean’. Betrokken bij de organisatie in het algemeen van Mare Nostrum is ook het Nederlands Genootschap voor Nieuwgriekse Studies (NGNS).

Overigens blijft de film zelf geheel en al binnen de zeven Balkanlanden en wil hij vooral laten zien hoe die allemaal vanuit hun eigen nationalistische reflexen reageren op zo’n lied, dat in feite juist alle grenzen overschrijdt; over de geschiedenis van het lied als zodanig wordt niet gesproken. Het is ook maar de vraag of er wel een ‘stamboom’ van het lied te reconstrueren is. Eén theorie in elk geval is, dat het lied (de melodie) afkomstig is van de sefardische joden die rond 1500 uit vooral Spanje in oostelijke richting zijn getrokken. Van hen zou het zich dan via de havens van het Ottomaanse rijk verspreid kunnen hebben over de Balkan, en ook nog wat oostelijker, in de gebieden boven de Zwarte Zee (Odessa!), want een joodse klezmerversie is er ook. En ook tussen al die gebieden waren er allerlei wisselwerkingen, dus hoe de loop van het lied nu precies geweest is…

Maar hoe dit alles ook zij, we kijken uit naar de volgende Mare Nostrum-projecten van Stichting Marmoucha!

 

Aπό ξένο τόπο

Aπό ξένο τόπο κι απ’ αλαργινό
ήρθ’ ένα κορίτσι, φως μου, δώδεκα χρονώ.

Ούτε στην πόρτα βγαίνει ούτε στο στενό
ούτε στο παραθύρι, φως μου, δυο λόγια να της πω.

Έχει μαύρα μάτια και σγουρά μαλλιά
και στο μάγουλό του, φως μου, έχει μιαν ελιά.

Δε μου τη δανείζεις, δεν μου την πουλάς,
την ελίτσα που ‘χεις, φως μου, και με τυραννάς;

Δε σου τη δανείζω, δεν σου την πουλώ·
μόν’ να τη χαρίσω θέλω σε κείνον π’ αγαπώ.

 

Uit den vreemde

Uit den vreemde, uit een ver oord
is een meisje gekomen, m’n licht, van twaalf jaar oud.

Ze verschijnt niet in de deur, niet in het straatje
en niet in haar raam, m’n licht, dat ik haar wat kan zeggen.

Ze heeft zwarte ogen en krullend haar,
en op haar wang, m’n licht, heeft ze een moedervlek.

‘Leen je ‘t me niet, verkoop je ‘t me niet,
dat moedervlekje van je, m’n licht, waarmee je me kwelt?’

‘Ik leen je ‘t niet, ik verkoop je ‘t niet,
maar ik wil het cadeau doen aan hem die ik liefheb.’

Bron: Hero Hokwerda / Lychnari, nummer 2 – 2019, blz. 44 – 45